Berichten

De schok der herkenning
30 januari 2013Boeken, HoofdberichtRedactie 0 Comments

In 1971 verscheen een dun boekje van Dr. W. Aalders met de titel De schok der herkenning. Het begint met een uitleg van een woord dat in het Nieuwe Testament wordt gebruikt om de aard van de ontmoeting van Christus met de wereld uit te drukken. Dat is het woord: elenchos. Aalders legt in het vervolg uit wat dit woord voor impact heeft voor de gemeente.
Enkele jaren geleden werd dit boekje online gezet, maar de website waar het werd gepubliceerd bestaat niet meer. Omdat wij dit werk toch onder uw aandacht willen brengen publiceren wij het hieronder. En voor u het artikel mag gaan lezen citeren wij De Banier: “Dit artikel is waard gelezen te worden”.

 

De schok der herkenning

Door: Dr. W. Aalders

I.

De Here Jezus Christus kan niet gerekend worden tot de wereld. Hij is niet uit de wereld afkomstig, niet van beneden, niet van de aarde aards. Hij komt van elders, van de hoge, van den Vader. Hij is met de wereld in tegenspraak. Hij oordeelt haar. ,,Wie uit de aarde is, spreekt uit de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen. Hij getuigt wat Hij gezien en gehoord heeft; en Zijn getuigenis neemt niemand aan.

Wien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods, want Hij geeft den Geest niet met mate” (Joh. 3: 31v.). Zoals Christus niet uit de aarde is, maar van boven, – zo zijn ook het Woord en de Geest, die van Hem uitgaan, in tegenspraak met de wereld. Zij kunnen niet gehoord en geloofd worden dan door degene, die zich laat weerspreken en door Hem laat oordelen. Wat door Zijn getuigenis tot ons komt, is voor ons niet geloofwaardig, niet aanvaardbaar, niet waarachtig, tenzij wij de geloofwaardigheid en waarachtigheid van wat uit de wereld tot ons komt, niet meer aanvaarden. Het geldt hier: òf het één, òf het ander. In de ontmoeting met Christus, met Zijn Woord en Geest, staan wij voor de waarheidsvraag. Hij brengt ons in de laatste ernst. En daarbij valt de beslissing over ons eeuwig wel of wee.

Er wordt in het Nieuwe Testament een eigenaardig woord gebruikt, om de aard van de ontmoeting van Christus met de wereld uit te drukken. Dat is het woord: elenchos. Het kan eigenlijk niet met één Nederlands woord vertaald worden. Het laat zich alleen maar benaderend omschrijven. In de Statenvertaling en de vertaling van het Ned. Bijbel Genootschap wordt het aangeduid met woorden als: beschuldiging, vermaning, tegenspraak, berisping, weerlegging, oordeel, bestraffing, tuchtiging, overtuiging. De bekendste tekst, waarin wij het woord elenchos tegenkomen, is Johannes 16 vers 8 : ,,En als Hij (de Heilige Geest) komt, zal Hij de wereld overtuigen (elenchein) van zonde en van gerechtigheid en van oordeel.” In die tekst wordt ons duidelijk, wat het inhoudt dat Christus met Zijn Woord en Geest de elenchos der wereld is. Het is een geestelijke ontmoeting, waarbij de Waarheid Gods zich met zulk een overtuigende kracht aan de mens opdringt, dat alle vanzelfsprekendheden en zekerheden, die hij van de wereld ontvangen had, en die daar onbetwiste gelding en gezag hebben, hun waarheidskarakter voor hem verloren hebben, en hij zich een ontredderde, bedrogen en verdwaalde enkeling weet, die de wanhoop nabij is. In die elenchos is hij een ontworteld individu geworden, die niet meer vooruit en achteruit kan. Uit een zoete droom is hij ontwaakt in een werkelijkheid van zonde, schuld en oordeel.

Wij zouden het woord elenchos dus kunnen omschrijven als een gerichtsbeleven; als het tijdstip van een beslissende ontmoeting met de openbaring Gods. In zulk een moment staat men in een wankel evenwicht op de rand van een afgrond. Men balanceert in de laatste ernst tussen eeuwig wel en wee. De voorbeelden van zulk een elenchos zijn in de Bijbel vele. In Handelingen 2 vers 37 is er sprake van: ,,En toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart geraakt, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannenbroeders?” Maar ook in Handelingen 7 vers 54: ,,Toen zij dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij koersten de tanden tegen hem (Stefanus).” En ook in Handelingen 16 vers 14: ,,En een zekere vrouw Lydia.. . . hoorde toe, en de Here opende haar hart, zodat zij acht nam op hetgeen door Paulus gesproken werden. En ook in Handelingen 16 vers 29: ,,En hij (de gevangenbewaarder) wierp zich, bevende over al zijn leden, voor Paulus en Silas neer en zeide: Wat moet ik doen om behouden te worden?” De Here Jezus Christus is dus met Zijn Woord en Geest de elenchos, dat wil zeggen de beslissende ontmoeting met de wereld. En uit die beslissende ontmoeting ontstaat nu de Gemeente. Zij is, zoals dat uit het boek Handelingen zo duidelijk blijkt, door die elenchos heengegaan. Zij heeft het getuigenis van Christus aangenomen en heeft met en door haar geloof bezegeld, dat God waarachtig is. Zij is daardoor aan de andere kant van de scheidslijn gekomen en behoort niet meer tot ,,dit verkeerd geslacht” (Hand. 2:40) . Deelenchos van Christus is haar behoud geworden. Zij is overgegaan uit de leugen in de waarheid, uit de duisternis in het licht, uit de dood in het leven. In die elenchos is de wereld haar gekruisigd en zij der wereld.

Als dat echter waarheid is (en het Nieuwe Testament laat ons daarover niet in het onzekere!), dan heeft dat voor het bestaan van de Gemeente in de wereld gewichtige gevolgen! Het kan dan immers niet anders zijn, dan dat de Gemeente, als de Gemeente van de levende Christus, en door Zijn Woord en Geest, evenzeer in tegenspraak komt met de wereld als de Here Christus Zelf . Anders gezegd: ook de Gemeente heeft voor de wereld het elenchos-karakter.

Zij heeft zó deel aan Christus, aan Zijn Woord en Geest, dat ook door háár de wereld in het uur van die beslissende ontmoeting gebracht wordt, waarbij het gaat om de laatste ernst van eeuwig wel of wee. Zij deelt in dat bijzondere werk van de Heilige Geest, waarmee Hij de wereld overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel.

Dat nu is een zaak, waar in onze tijd de Gemeente over het algemeen veel te weinig besef van heeft, en waar wij daarom bijzondere aandacht voor willen vragen. Er wordt wel veel gesproken over Kerk en wereld, maar van die elenchos blijkt men nauwelijks enig besef te hebben. En als dat fundamentele besef ontbreekt, komt men bij het spreken over de plaats en taak van de Gemeente in de wereld op allerlei fatale dwaalwegen terecht, die niet anders dan onheil brengen.

Het moderne apostolaat is er een overduidelijk bewijs van.

II.

Wat houdt het in, dat de Gemeente in de wereld elenchos-karakter heeft? Op welke wijze komt dat tot uitdrukking? In de woorden, die de Here Jezus tot de twaalven sprak bij de uitzending der apostelen in de wereld, lezen wij er dit over: ,,Zie, lk zend u als schapen midden onder de wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als de duiven. Wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven, en zij zullen u uit hun synagogen geselen. En gij zult geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil tot een getuigenis voor hen en voor de volken. Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; want gij zijt het niet die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt. … En gij zult de haat van allen te verduren hebben om Mijns Naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. . . Wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.” (Matth. 10:1- 39) .

Het is de roeping der Gemeente om tegen de haat en onwil van de wereld in, getuigenis af te leggen van Christus. Dus zó, dat in dat getuigenis de tegenstelling met de wereld, met de synagoge, met de politieke overheid, met de mening der massa tot uitdrukking komt.

Tegen het algemene gevoelen, tegen de publieke opinie in moet zij het Evangelie moedig en klaar als licht in de duisternis laten schijnen.

Dáárin zal zij in de wereld elenchos zijn, dat wil zeggen het moment van de beslissende ontmoeting met de waarheid Gods.

Wij verstaan dat eerst dan pas goed, als wij zijn gaan beseffen, dat met dat getuigenis bepaald iets anders bedoeld is, dan vanuit eigen geloof de persoonlijk ervaren waarheid van het Evangelie laten doorklinken. Ik wil natuurlijk niet zeggen, dat ook dat niet van waarde is.

Maar in het elenchos-karakter van de Gemeente ligt méér! Het wil zeggen, dat het Evangelie zó vertolkt wordt, dat de tegenspraak tegen alles, wat in de wereld als waarheid geldt, erin tot uitdrukking komt.

Zó tot uitdrukking, dat het woord ,,bekering” een duidelijke, concrete en actuele inhoud gaat krijgen. Alleen dàn is het getuigenis van de Gemeente elenchos, als het Evangelie als waarheid tegenover de leugen gesteld wordt. En daarbij moet uiteraard rekening gehouden worden met haat en felle tegenstand. Zonder dat risico erbij te verdisconteren en voor lief te nemen, kan de Gemeente geen elenchos zijn. Wie dat kruis niet opneemt, is Christus niet waardig.

Dit alles zijn dingen, die over het algemeen te veel in het vergeetboek zijn geraakt, maar die wij in deze tijd, waarin zulke onevangelische, dwaze dingen over de roeping en taak der Gemeente in de wereld uitgekraamd worden, nieuw moeten leren ontdekken. En dat wel zeer in het bijzonder, omdat het ,,protestants” karakter van de Gemeente juist daarin gelegen is. Wat oorspronkelijk in de naam ,,Protestant” lag uitgedrukt, was immers niets anders dan het elenchos-karakter van de Kerk. Het hield in, dat in en tegenover de wereld en haar wijsheid getuigenis gegeven werd van de waarheid Gods in Christus.

Vandaar dat in de reformatorische Kerken zo grote nadruk gelegde werd op de belijdenis. Want in die belijdenis drukte zij immers voor allen en iedereen uit, wat voor haar waarheid en wat leugen was. Haar belijdenis had een bewust publiek karakter. De oude ,,Formulieren van enigheid” waren de publieke vormgeving van haar gemeenschappelijke gevoelens tegenover de anderen, de ongelovigen en bijgelovigen.

Zich voegen bij de Gemeente betekende daarom: deelnemen aan dat belijden. Door mee te belijden, wat de Kerk in haar belijdenis openlijk tegenover de wereld uitsprak, werd men pas echt en volledig lid van de Kerk; werd men een mondige gelovige. Daarin kwam het ambt der gelovigen tot uitdrukking. Vandaar ook dat in artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis nadrukkelijk uitgesproken wordt, dat ,,een iegelijk schuldig is, ,zich bij de ware Kerk te voegen.”

Terwille van de versterking van de belijdenis der Kerk is het noodzakelijk ,,om zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen tot deze vergaderingen. Doet men dat niet, dan handelt men tegen de ordinantie Gods. Men verzwakt dan immers de elenchos van de Gemeente.

Er wordt in dat artikel dan bij gezegd, dat daarbij wereldse veiligheid en maatschappelijke zekerheid geen overwegingen mogen zijn. Tot het elenchos-karakter der Gemeente hoort het gevaar en de bedreiging van de kant der wereld. In de tijd van de Hervorming was men zich dat zeer bewust. Waarachtig, levend, actueel belijden is zonder lijden niet denkbaar. Het ganse belijden van de Kerk der Reformatie is een lijdensweg geweest. De bekende Trigland heeft terecht geschreven: ,,Men moet de Nederlandse Belijdenis niet simpelijk aanmerken als een menselijk geschrift, maar als een geschrift door Godvruchtige en getrouwe leraars der ware Kerk onzes Heren uit den Woorde Gods gesteld, om te dienen voor een gezonde en schriftmatige belijdenis des geloofs, bij de vrome martelaren, in gevangenissen, op pijnbanken en in vuren, onder zwaard en galg standvastig bekend; om welke vele duizenden hun goed en bloed in gevaar hebben gesteld, naakt en bloot uit hun vaderland naar andere landen in ballingschap zijn getrokken; welke alle de Gereformeerde Kerken in de Nederlander en in Frankrijk voor gezond en conform Gods Woord hebben erkend, en door welke de Gereformeerde Kerken van de antichristelijke Roomsche Kerk en van allerlei vreemde en verwarde sekten zijn afgezonderd. Dat is wat meer dan rijpelijk een geschrift door mensen gesteld.”

Een waarachtige ,,protestantse” Kerk is dus een belijdende Kerk; dat wil zeggen: een Kerk, die door haar belijdenis uitdrukking geeft aan de tegenstelling van Gemeente en wereld. Tegenover de wereld, die met haar vermeende zekerheden aan alle kanten het geloof in de Waarheid Gods ondermijnt, aanvalt en ontkent, richt de Kerk zich met haar belijdenis tot degenen, die buiten haar staan om hun geweten te wekken. Zij weert af om te kwetsen; zij kwetst om te lokken. Het belijden der Gemeente is dus nooit afgesloten en eens voor altijd geschied. Het is beweeglijk en het vernieuwt zich voortdurend in andere vormen, omdat ook de vijandschap en bestrijding van de kant der wereld zich in steeds nieuwe vormen openbaart.

Een Kerk, waarin het belijden geen levende, actuele, publieke gerichtheid meer heeft tegenover de wereld, is een Kerk, die haar elenchos-karakter verloren heeft. Zij is smakeloos zout geworden.

Er is niemand, die dat zo duidelijk gezien en in zijn geschriften benadrukt heeft als Calvijn. Telkens en telkens waarschuwt hij de gelovigen, dat zij geen Nicodemieten mogen zijn, die (zoals eertijds Nicodemus) in het verborgene christen willen zijn, zonder zich openlijk uit te spreken. Het geloof kan en mag niet een schat zijn, die bewaard wordt in het hart, maar het moet tot publieke belijdenis komen. Gebeurt dat niet, dan brandmerkt Calvijn het als huichelarij.

Het is een wezenstrek van het geloof om zich in de wereld publiek kenbaar te maken, al was het alleen maar door zich bij de ware Kerk te voegen, en daarvan door de samenkomsten der Gemeente bij te wonen openlijk blijk te geven. Dat Calvijn dit alles zo nadrukkelijk stelde, hing samen met zijn weten van het elenchos-karakter van de Gemeente in de wereld!

III.

Wij willen nu ook een antwoord trachten te geven op de vraag, wat het in het huidige tijdsbestek inhoudt, om als Gemeente van Jezus Christus het Evangelie als elenchos in de wereld te vertegenwoordigen.

In welk opzicht is zij geroepen om zó der waarheid Gods getuigenis te geven, dat daarin de leugen van het ongeloof en bijgeloof weersproken wordt? In de eeuw van de Hervorming trad de leugen der wereld naar voren in de gestalte van ,,de vrije wil”, van ,,de goede werken” van ,,natuur en genade”. Daartegenover stelde de Kerk der Reformatie in haar belijden de volkomenheid en alleengeldigheid van Jezus Christus en Zijn volbrachte werk. Maar zij deed dat in de vorm van ,,de rechtvaardiging door het geloof alléén”; dat wil zeggen op zulk een wijze, dat de tegenstelling tussen Gemeente en wereld duidelijk aan het daglicht trad. Aan de vrije wil, aan de goede werken, aan de natuur werd elke heilsbetekenis ontzegd. Het gaat in het Evangelie om de zaligheid alléén door Christus, alléén door genade, alléén door geloof, zonder enige medewerking van de kant van de mens. Door nu de Waarheid Gods zo te belijden kreeg de Kerk weer elenchos-karakter.

Het woord ,,bekering” kreeg een concrete en actuele inhoud. Het geloof werd weer duidelijk afgegrensd van ongeloof en bijgeloof.

Het christen-zijn werd een aanwijsbare zaak, die te onderscheiden was van humanisme, moralisme, rationalisme. Dat was de geestelijke zegen van de tijd der Hervorming! Wij leven nu vier eeuwen later. En in die vier eeuwen is er ontzag- gelijk veel gebeurd. Wil dat zeggen, dat er wezenlijk veel veranderd is? Hebben het ongeloof en bijgeloof in de huidige wereld een totaal ander karakter gekregen? Als dat zo zou zijn, betekent dat, dat hetelenchos-karakter van het reformatorisch belijden zijn tijd gehad heeft. Het zou inhouden, dat thans op een nieuwe, andere wijze de Waarheid Gods tegenover de leugen vastgesteld en uitgedragen zou moeten worden, wil de Kerk geen smakeloos zout worden in de wereld. En aldus denken en spreken niet weinigen in deze tijd. Zij zien de huidige situatie als zó fundamenteel verschillend met die uit de zestiende eeuw, dat zij met het reformatorisch belijden geen raad meer weten. Zij beschouwen het als louter nog een historisch document.

Wie echter niet oppervlakkig en uiterlijk, doch diep en innerlijk de machten van deze eeuw heeft ontmoet; wie de geest van de tijd zelf heeft geproefd en doorleefd, er in eigen geloofsijver door in een ernstige crisis is gekomen, en er door het Evangelie aan ontrukt en van bevrijd is, – die doet een wonderlijke ontdekking. De belijdenis van de Hervorming betekent voor hem de schok der herkenning.

Hij is immers gaan zien, dat de leugen van het ongeloof en bijgeloof in de moderne wereld in wezen geen andere is dan die van de zestiende eeuw met haar ,,vrije wil”, haar ,,goede werken” en haar ,,natuur en genade”, maar dezelfde leugen in nòg nadrukkelijker, bewuster en consequenter gestalte. Hij beseft op eens de actualiteit van het reformatorisch belijden in het huidige tijdsgewricht. En daarmee is voor hem de vraag, of de moderne tijd niet een nieuw en ander kerkelijk belijden eist, eigenlijk geen vraag meer. Het enige wat hem in de huidige situatie als een dringende zaak voorkomt, is dat het zestiende-eeuwse belijden in de Gemeente van deze eeuw tot nieuw leven komt, en tegenover het ongeloof van vandaag eens te nadrukkelijker, ernstiger en bewuster uitgedragen wordt.

Dat de Gemeente thans in zulk een geestelijke malaise verkeert en er zo bitter weinigelenchos-kracht van haar uitgaat, vindt dus zijn diepste oorzaak in het feit, dat zij in de benauwenissen en gevaren van deze tijd de brandende actualiteit van het reformatorische belijden nog niet ontdekt heeft. Zij is misschien nog wel in meerdere of mindere mate confessioneel gebonden, maar dat is een louter traditionele en conservatieve gebondenheid. Zij heeft nog niet zo diep en geestelijk met het ongeloof en bijgeloof van de moderne wereld geworsteld, dat zij daardoor de wezenlijke eenheid van haar geloofsstrijd met die uit de tijd van de Hervorming is gaan zien. Zij heeft in de zestiende-eeuwse belijdenis nog niet de schok der herkenning beleefd. En daartoe zal het moeten komen, wil de huidige Gemeente uit haar slaap ontwaken en weer elenchos-karakter krijgen.

Men kan zich aan die opgave niet onttrekken door te beweren, dat men met die moderne wereld niets te maken wil hebben. Want wie men ook is, waar men ook woont, en hoe men ook leeft, – het moderne tijdsbewustzijn overspeelt ons allen. Niemand kan er zich aan onttrekken. Door school, beroep, krant, radio, auto, verzekering, medische verzorging hebben wij er mee te maken. Dagelijks profiteren wij ervan, dagelijks klagen wij erover. Meer dan wij ons bewust zijn, heeft het moderne leven ons in zijn greep. Zonder het te beseffen leven wij als eertijds Israël in een Egyptische slavernij en in een Babylonische ballingschap. Het is daarom een dringende opgave om tot geestelijk inzicht te komen in onze situatie.

Het is bijna een banaliteit geworden om te zeggen, dat de moderne mens getypeerd wordt door zijn mondigheid. De betekenis van dat woord gaat terug op het oude begrip ,,mont”, dat ,,macht, voogd” betekent. Mondig-zijn houdt dan dus in, dat men zich vrijgemaakt heeft van bevoogdende machten. Zó beleeft de huidige mens zijn staan in de wereld. Was er voorheen nog een religieus besef van een heilige werkelijkheid boven hem; een erkenning van algemeen geldende, ingeschapen zedelijke normen, waarvan ieder afhankelijk was; thans heeft de mens die schuchterheid, geremdheid en onderworpenheid van zich afgeschud als overblijfselen van bewoording uit de tijd van zijn onvolwassenheid. De huidige mens wil niet meer staan onder wat voor macht of wet ook, tenzij uit vrije wil en met rede. Hij heeft afgerekend met religie, met het hiernamaals, met God.

Hij wil de verantwoordelijkheid voor zichzelf, voor de wereld, voor de toekomst dragen. Door deze mondigheid is nu het bestaan grondig veranderd. De geschiedenis is erdoor versneld. Alles is in beweging geraakt. Het duidelijkst is het zichtbaar in de macht van de wetenschap, waarmee de mens met de aarde manipuleert, en aan de schepping zijn eigen ontwerp oplegt. De samenleving, het leefmilieu krijgt een andere gestalte. Maar ook op zedelijk, sociaal en politiek gebied voert deze mondigheid tot revolutionaire veranderingen. Alles wat deze dynamiek in de weg staat, wekt wrevel en ergernis. Gezag en gevestigde orde zijn belemmeringen op de weg der vooruitgang. Het is een messiaanse, fanatieke, revolutionaire geestdrift, die met die mondigheid over de moderne mens vaardig is geworden. Het is een pseudo-religie, waarin het heil beleefd wordt.

Maar als de Gemeente dit met geestelijk onderscheidingsvermogen gadeslaat, hoe kan zij het dan anders duiden, dan als het volwassen geworden humanisme uit de zestiende eeuw? Hoe kan zij er iets anders in ontwaren, dan de volrijpe vruchten van het zondige beginsel van ,,de vrije wil”, van ,,de goede werken”, van ,,natuur en genade”? Wat kan zij er anders in constateren, dan de zonde van Adam? Tot die schok der herkenning zal het moeten komen in de Gemeente. En van daaruit zal zij dan ontdekken, dat wat in het huidige tijdsgewricht van haar gevraagd wordt, wil zij haar elenchos-karakter niet verliezen en smakeloos zout worden, bovenal dit is: dat zij tegenover dit mondige ongeloof en bijgeloof van het volwassen geworden humanisme met te groter ernst en geloofsplicht de reformatorische tegenstem laat klinken. Wee haar als zij zich laat bekoren en meeslepen door deze leugen, als zij zich door zelfbehoud laat terugdringen in een angstig Nicodemisme. Nu meer dan ooit, en misschien wel als Gemeente van de eindtijd, heeft zij tegenover dit mondige en directe ongeloof getuigenis af te leggen van het heilswerk van Christus, die het voor ons volbracht heeft.

IV.

Wij zullen er allen wel van overtuigd zijn, dat er van het elenchos-karakter, zoals de Kerk der Hervorming dat gekend heeft, thans geen sprake meer is. De belangrijkste oorzaak daarvan is, dat het geloven voor verreweg de meesten een geloven zonder bekering is. Ik bedoel daarmee allerminst, om van de bekering een zaak van nauwgezet en pijnlijk zelfonderzoek te maken aan de hand van een aantal bekeringskenmerken. Wat ik ermee onder woorden tracht te brengen, is dit: dat geloven in de bijbelse en reformatorische betekenis altijd gepaard ging met een zeer duidelijk gemarkeerde overgang van een bepaalde levensinstelling naar een zo totaal andere levensinstelling, dat men het besef had uit de duisternis en de leugen in het licht en de waarheid overgezet te zijn. Geloven betekende altijd een duidelijke breuk met het er aan voorafgaande natuurlijke, algemene en werelds vanzelfsprekende bestaan. Geloven was nooit een natuurlijke, overgeërfde en ingeboren aanleg of ontwikkeling. En dát is nu iets, wat aan het geloof van verreweg de meeste kerkmensen ontbreekt. Zij hebben daar geen notie meer van. Het speelt bij het doen van geloofsbelijdenis nauwelijks een rol meer. Dat is een kwalijke zaak! Men zou hier kunnen spreken van een vicieuse cirkel. Omdat de Kerk geen elenchos-karàkter meer heeft, is er geen sprake meer van geloof door bekering. En omdat er geen geloof door bekering meer is, gaat het elanchos-karakter van de Kerk hoe langer hoe meer verloren. De gevolgen van deze fatale ontwikkeling worden in de Gemeente hoe langer hoe duidelijker zichtbaar. Er is geen werkelijke breuklijn meer tussen Gemeente en wereld, tùssen geloof en ongeloof . Er is een proces van uitwissing der grenzen aan de gang, dat het eigen leven der Gemeente hoe langer hoe meer verwoest en ondermijnt.

Het is menselijkerwijs gesproken dan ook een uitzichtloze zaak. In ieder geval is hierbij niets te verwachten van een ijveren voor een betere organisatie of van een inspanning voor restauratie van het verleden. Het enige, wat werkelijk een belofte van vernieuwing in zich zou dragen, zou de geestelijke doorbraak zijn van een levend besef van de brandende actualiteit van het reformatorisch belijden in deze moderne wereld. Zulk een doorbraak kan alleen geschieden, wanneer zich onder de druk en benauwdheid van deze tijd binnen de Gemeente ten opzichte van haar Confessie de schok der herkenning zou voltrekken. Daar zou dus een geestelijke worsteling en crisis binnen de Gemeente aan vooraf moeten gaan. En zijn er in de toenemende verontrusting, die men overal m de kerken waarneemt, niet tekenen van zulke barensweeën? Ligt daar niet een belofte in? Het is niet anders te verwachten, dan dat zulk een doorbraak in het begin alleen maar bij spaarzamelijke enkelingen plaats grijpt. Maar is het in het verleden van de Kerk en van het volk Israël niet altijd zo geweest, dat een opwekking en verlevendiging van de Gemeente inzette bij een klein getal, en soms zelfs bij een eenzame en onbegrepen enkeling? In het werk van Christus en van de Heilige Geest speelt het getal geen rol. Waar immers het geloof uit een werkelijke bekering voortkomt, is de kracht van zijn elenchos zo groot, dat velen erdoor aangegrepen en ook tot bekering gebracht worden. Is uit het getuigenis van één man op de Pinksterdag niet een schare van drieduizend tot het geloof gekomen? En zou dat ook in onze tijd niet opnieuw het geval kunnen zijn? Maar wij zullen ons daarbij dan dit heel goed bewust moeten zijn, dat levend geloven, getuigen en belijden zonder lijden ondenkbaar is.

Nooit is het anders geweest. En met name in deze tijd, waarin de zuigkracht van het mondig geworden ongeloof groter is dan ooit, zal dat het geval zijn. Daarvan heeft Christus geweten, toen Hij de woorden sprak: ,,In de wereld zult gij verdrukking lijden.”

Er komt echter nog een factor bij, die het lijden van het belijden in deze tijd verzwaart. Dat is, dat degenen in wie het elenchos-karakter van het geloof zich vernieuwd heeft, leven in een Kerk, die van de breuk tussen Waarheid en leugen, tussen Gemeente en wereld nauwelijks weet meer heeft. Dat heeft tot gevolg, dat het vernieuwde belijden ook stoten zal op de vijandschap en haat van de door de wereld geaffecteerde, onbekeerde gelovigen. Het betekent een dubbele eenzaamheid.

In zulk een situatie geen Nicodemiet worden, maar moedig en trouw tegen alle minachting, verdachtmaking, laster en bespotting in de opdracht van het geloof volvoeren, is menselijk gesproken een onuitvoerbare en onmenselijke zaak. Ons geloof en gebed redden het niet. Maar er is de belofte van Christus: ,,Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.” En de verwerkelijking daarvan is: de Trooster. Daarom is er toch toekomst voor de Gemeente; toekomst voor haar elenchos, waarmee zij in deze wereld zoutend zout is.

Geef uw reactie

Now add some widgets!