Berichten

Hoe de moderne mens tegen het kwaad aankijkt
12 januari 2013BoekenRedactie 0 Comments

Op donderdag 18 oktober 2012 werd in Amsterdam het boek ‘Christelijke dogmatiek‘ gepresenteerd. Het zal u vast niet ontgaan zijn, want o.a. RD, ND en EO berichtte erover. Voor recensies kunt u googelen. Wij geven u graag een stukje mee vanuit hoofdstuk 8 over ‘Het geschonden bestaan. Over zonde en kwaad’. Het gaat over hoe de moderne mens tegen het kwaad aankijkt.

De behoefte aan concretisering en situering van het kwaad is echter zeer groot. Dat is de manier waarop in onze moderne wereld met kwaad wordt omgegaan. Vanuit een diepgeworteld cultureel besef dat de wereld maakbaar en regelbaar is, moet voor elke vorm van kwaad een oorzaak of schuldige worden aangewezen. Dat leidt in de publieke arena van politiek en media geregeld tot een moralistische reflex. Maatschappelijk en politiek poogt men het kwaad de baas te worden door nieuwe regel- of wetgeving te eisen. De vraag is wat hier de diepste grond van is. Vindt de collectieve druk om elk risico uit te sluiten zijn grond in de overtuiging dat alle kwaad vermijdbaar is en in feite teruggaat op een gebrek aan controle of regels? Is het onzekerheid over de mens zodra hij vrij gelaten wordt? Of moeten we komen tot de volgende paradoxale gevolgtrekking: onze cultuur wil enerzijds graag geloven in de wezenlijke goedheid van de mens, maar gaat anderzijds met diezelfde mens om als een wezen dat ten diepste gewantrouwd en daarom voortdurend gecontroleerd moet worden?

Hoe dan ook: dit moralisme kan vermeden worden wanneer we de essentie en de bron van zonde zoeken in een verstoring van de verhondsverhouding met God. Wanneer de relatie met God is verstoord, wanneer we weigeren ons bestaan, onze veiligheid en identiteit in de verhouding met Hem te zoeken, is de relatie met de bron van leven vertroebeld. In plaats van vertrouwen groeit er dan wantrouwen, in plaats van in de nabijheid van God als de levende verkeren we in een staat van kosmische eenzaamheid. We zijn dan geheel met onszelf alleen, en bejegenen de ander in beginsel met wantrouwen. (p. 297)

Geef uw reactie

Now add some widgets!