Berichten

Wat is schoonheid?
3 april 2012Hoofdbericht, MuziekRedactie 0 Comments

Van de hand van David P. Goldman verscheen op 6 februari jongstleden een artikel op tabletmag.com – een online magazine vanuit Joods perspectief – over christelijke muziek, schoonheid en hoe joden daar doorgaans tegenaan kijken. Een buitengewoon intressant artikel dat helaas alleen in het engels te lezen was. Om het voor een breder publiek toegankelijk te maken hebben wij het voor u vertaald. Er zullen vast wel wat fouten zijn gemaakt bij de vertaling, maar de kern van het artikel zult u vast wel begrijpen. Daarnaast hebben wij extra uitleg tussen de haakjes met de toevoeging red. bijgevoegd, ook hebben wij extra links in de tekst verwerkt wanneer u over een onderwerp verder wilt lezen. (De gebruikte afbeelding is overgnomen van het originele artikel.)

Tijdeloos

Het jodendom verwerpt het concept van schoonheid dat de christelijke klassieke muziek onderstreept, van Bach tot Mozart – maar de muziek spreekt nog steeds tot ons.

Hoe moeten joden zich opstellen tegenover religieuze muziek van de grote christelijke componisten (inclusief bekeerling Felix Mendelssohn)? Norman Podhoretz heeft gezegd dat hij luisterend naar Bachs Matthäus Passion “van het Oneindige bewust wordt”. Een vrome orthodoxe rabbijn in mijn vriendenkring bevestigd dat hij meer van het Requiem van Mozart houdt dan elk ander muzikaal werk. Wat betekent deze muziek voor christenen?

Van alle kunsten in het het moderne Westen is de Westerse klassieke muziek de enige echte innovatie: We kunnen Aeschylus of Pindar lezen net zoals wij dat bij Shakespeare of Keats doen, maar wat in de oude wereld is geproduceerd haalt het niet bij dat van Josquin des Prez, laat staan Mozart. Te midden van de andere kunsten, is klassieke muziek een artefact van het moderne christelijke Westen, en het is moeilijk om het uit zijn christelijke context te halen.

Op een Goede Vrijdag zo’n 30 jaar geleden, in een gewone kerk in een Duitse middelgrote stad, hoorde ik de meest opmerkelijke muzikale uitvoering van mijn leven: Bachs Matthäus Passion met een gezamenlijke amateur-professioneel orkest, een amateur-koor van de kerk en ingehuurde vocale solisten. De Passie vertelt delen van het evangelie afgewisseld met stichtelijke gedichten. Het is niet geschikt voor het concert podium, want het werd uitgevoerd zoals het bedoeld is in een kerk, op de treurigste dag van de christelijke kalender, gemeente en artiesten zijn lid van het liturgische drama. (Strikt genomen, als een oplettende Jood, had ik helemaal niet in een kerk moeten zijn, hoewel sommige orthodoxe rabbijnen toestaan dat Joden naar evangelische kerken gaan als die maar geen religieuze iconografie hebben, zoals de kerk waar deze recital plaats vond.)

Muziek helpt de christen te rouwen over de dood van Jezus van Nazareth, en Bach’s meesterwerk maakt dit intens persoonlijk: een tastbare rust kwam over de uitvoerende en gemeente wanneer de bas solist zijn laatste aria zong: O mijn hart, maak u nu rein. Ik wil Jezus zelf begraven.” (Mache dich, mein Herze, rein, Ich will Jesum selbst begraben. red.) Franz Rosenzweig schreef in The Star of Redemption over de christelijke muziek: “Die wie zich aansluit in het zingen van een koraal, of die luistert naar een mis, een kerst-oratorium, een passie … wil zijn ziel met beide voeten in de tijd, in de meest tegenwoordige tijd ooit, in de tijd van die ene dag van de wereld waarvan alle dagen maar een deel zijn. Muziek is bedoelt om hem daarin te begeleiden.” Maar tijdens de negen dagen voor de meest trieste gebeurtenis in de Joodse kalender, de 9de Av, verbiedt de rabbijnse wet joden van het horen van alle muziek; de meest lugubere chazan in de wereld is er een van geen hulp.

***

Afgelopen juli heb ik in een koosjer restaurant in Wenen gegeten met een jonge priester uit een Oostenrijkse Stift (seminarie red.) die zijn studie afmaakt in de filosofie te Rome. Toen we de laatste wijn opdronken, daagde vader A. mij uit: “Wat is uw definitie van schoonheid? Mijn mening over u hangt voor een groot gedeelte van uw antwoord af.” Dat is een belangrijke kwestie voor de katholieken, die geloven dat een aardse instelling, namelijk de Kerk, de sleutel heeft tot het openen van wat in de hemel gesloten is. Als dat mogelijk is, moet God zich voor mensen op een andere manier zichzelf kenbaar maken, bijvoorbeeld door het aannemen van een menselijke vorm. Een van deze manieren is schoonheid. Plato adopterend, de katholieke theologie maakt het goede en het schone gelijk door ze toe te schrijven aan God.

“Schoonheid heeft twee componenten,” poogde ik. “Het ene is wat wij zouden kunnen noemen harmonie: Het verenigt alle elementen van het object van de waarneming tot een geheel, waarin de onderdelen een noodzakelijke relatie hebben tot het geheel.” Dat was recht uit Plato, en vader A. gaf even een glimlach terwijl ik mijn afleidingsmanoeuvre maakt naar mijn doel.

“Het andere element is verrassing,” vervolgde ik.

“Wat bedoel je?” Vroeg vader A., zelf verrast.

“Er zijn een aantal dingen die het criterium van harmonie raken – bijvoorbeeld geometrische constructies, kristal patronen, enzovoort – maar wij vinden het niet per se mooi” ging ik verder. “Ze kunnen net zo saai zijn als ze harmonieus zijn. De ervaring van schoonheid eist het gevoel van een ontdekking van een harmonie welke we tot nu toe niet hadden waargenomen en waarvan we het bestaan niet konden vermoeden. ”

“Dat is interessant,” gaf vader A. toe. “Ik heb daar op zo’n manier nog niet over nagedacht.”

“Zou u het ermee eens zijn,” voegde ik eraan toe, “dat het concept van verrassing onlosmakelijk is verbonden met het concept van de verwachting? Ik kan alleen maar verbaasd zijn als er iets gebeurt dat afwijkt van wat ik had verwacht.”

“Ik veronderstel dat dat waar is,” zei vader A.

“Laten we Mozart als voorbeeld nemen. Dicht bij het einde van de Andante van het 21e pianoconcert, Mozart brengt weer het thema F majeur van de opening maar niet in de originele manier, dit keer transformeert hij het naar een As majeur. Zou u dat kwalificeren als een mooie verrassing? ”

“Alleszins,” zei vader A. Hij bewondert Mozart.

“En de verrassing is afhankelijk van onze verwachtingen over de muzikale vorm, in dit geval, het transformeren van het thema uit het origineel?”

“Ik denk het wel.”

“En iemand die nog nooit Westerse klassieke muziek heeft gehoord zou mogelijk geen ervaring van de muzikale vorm hebben, en zo ook geen verwachtingen?”

Geen antwoord deze keer. Vader A. giste waar ik met dit alles naar toe zou willen.

“En iemand die zo gewent was aan de post-romantische chromatiek, waar toonaard constant verandert, zou hij of zij het dan niet verrassend kunnen vinden om een herhaling te horen de andere afgelegen manier?”

“Misschien niet,” zei hij.

“Als de perceptie van schoonheid verrassing vereist, en verrassing is afhankelijk van de verwachtingen, hebben we dan niet de conclusie bereikt dat schoonheid niet absoluut is, maar afhangt van de een of andere manier bestaande verwachtingen van de toeschouwer? ‘

“Ik zal dat nog eens moeten overdenken.”

“Laten we eens van de andere kant van het probleem bekijken,” vervolgde ik. “Is het mooie goed, en vice versa?”

“Dat is wat ik geloof.”

“Kan schoonheid worden geplaatst in de dienst van valsheid en immoraliteit?”

“Niet de echte schoonheid,” zei hij.

“Hoe zit het met Mozart’s opera Così Fan Tutte, muziek zo mooi als elke Mozart die hij ooit schreef, maar nu regelrechte leugens bevordert.” In de opera zijn twee jonge mannen op zoek om de trouw van hun verloofden te testen, dit door het verleiden van elkaars aanstaande. Er is geen enkel sympathiek personage in het werk, waarvan de muziek op een lijn staat met de Le Nozze di Figaro en Don Giovanni. Dat kan verklaren waarom het minder populair is: De mannen zijn cynisch en de vrouwen sletterig.

“Als de kunst de  schoonheid gebruikt voor het bevorderen van de leugen, dan kan ik dat niet als echte schoonheid aanzien,” besloot vader A.. “Als je Così uitsluitdan zal uw idee van schoonheid geen enkele klassieke musicus overtuigen,” zei ik, en we gingen verder met dessert. Het Griekse idee van schoonheid, genaturaliseerd in de katholieke theologie van Thomas van Aquino, is geheel vreemd aan de eigenzinnige humor van Mozart. Men zou zelfs kunnen spreken van Mozarts joodse gevoel voor humor, voor zijn librettist in Così Fan Tutte gebruikte hij de bekeerde Jood Lorenzo Da Ponte, en zijn ironische blik op de christelijke samenleving behoort tot een eigenaardige wijze van joodse ironie.

***

Jodendom accepteert het Griekse concept van schoonheid meegenomen vanuit het christendom niet. Maar hoe kan het jodendom – Thora en de rabbijnse traditie – schoonheid begrijpen? Rabbi Meir Soloveichik, directeur van het Strauss Center for Torah and Western Though op de Yeshiva Universiteit, merkte op dat niet een keer in de Tenach God “schoon”(yafeh) genoemd wordt. God wordt adir (schitterend) genoemd, en zijn stem wordt Hadar (majestueus) genoemd. Of zoals Rav Aharon Lichtenstein schreef :

Het vers zegt (Psalm 29:4), “Kol Hashem ba-ko’ach; kol Hashem be-Hadar – De stem van de HEERE is vol kracht,de stem van de HEERE is vol glorie.” (HSV red.)  We zien God in zekere zin als een grenzeloze, tomeloze kracht. In een andere betekenis nemen we hem in termen van waarden, van de waarheid en goedheid. … Hadar is waarschijnlijk een soort van objectieve schoonheid, een morele schoonheid, een schoonheid van de waarheid.

Maar dat is morele schoonheid, geen visuele of sonore schoonheid als in de christelijke definitie.

In het geheel van de Tenach vinden we God en schoonheid slechts een keer in hetzelfde vers genoemd: ” Ik heb gezien welke bezigheid God de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te vermoeien. Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt.; Ook heeft Hij de eeuw [ha– Olam] in hun hart [b’libam] gelegd zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden.“(Prediker 3:11, HSV vertaling, Goldman gebruik hier de Artscroll vertaling red.). Artscroll vertaalt (volgens de Targoem) eeuw als “raadsel” en hart als “mysterie”, ha-Olam wordt in andere vertalingen vaker vertaald, en wat gebruikelijker is, als “eeuwigheid”. Ibn Ezra ondersteunt de laatstgenoemde vertaling, met de aantekening dat in het geheel van de Tenach, het woord olam alleen gebruikt wordt in de betekenis van tijd en eeuwigheid. Misschien werpt deze dubbelzinnigheid licht op het impliciete Joodse begrip van schoonheid.

Prediker vertelt ons dat schoonheid van God komt. We zijn verplicht om “shekakha lo b’olamo” te zeggen wanneer we mooie dingen zien. Maar God maakte deze mooie dingen in hun tijd. Schepping is contingent, zelfs de wereld zal het kleed verslijten, maar God zal het verwisselen (Psalm 102:26). Schoonheid is niet een eeuwige eigenschap van de verborgen essentie in de natuur, toegankelijk voor de adept door middel van specifieke kennis, zoals Plato leert; veel minder is het een attribuut van God. Schoonheid, liever gezegd, is tijdelijk en hevel, of “vluchtigheid” (in plaats van “ijdelheid” als Prediker meestal wordt weergegeven).

Naast dit korte statement over schoonheid vinden we een uitspraak over de mens, namelijk dat God een enigma (eeuwigheid) in de geest van de mens heeft geschapen zodanig dat we zoeken naar de eeuwigheid, zelfs als we het niet volledig kunnen begrijpen. Deze lezing van Prediker 3:11 geeft duidelijkheid als we Prediker 3:15 lezen in de Koren vertaling door de 19de-eeuwse rosh yeshiva Michael Friedländer: “That which is, already has been; and that which is to be has already been; and only God can find the fleeting moment.” (HSV vertaling: Wat er is, was er al, en wat er zijn zal, is er al geweest. God zoekt wat voorbijgegaan is. red.) Voor Tablet Magazine schreef ik al eerder in een andere context, misschien had Rabbi Friedländer de beroemde weddenschap dat Faust de Duivel aanbied in Goethe’s tragedie in gedachten. Faust zou zijn ziel en wil verliezen als hij probeerd vast te houden aan het voorbijgaande moment, dat wil zeggen, om te proberen te begrijpen wat alleen God kan vinden. De impuls om het moment te grijpen en vast te houden, het is afgoderij; het is een poging om de eeuwigheid te bedriegen, om onszelf tot goden te maken.

Dat is niet de standaard lezing van Prediker 3:11, dat is zeker. Rashi becommentarieerd dat de dag van onze dood onbekend is, zodat een man zegt: “Misschien is mijn dood er nog lang niet,” en bouwt een huis of planten een wijngaard. Omdat de tijd van onze dood voor ons is verborgen, moeten we blij zijn met ons deel en de wet van God volgen, terwijl we nog leven.

Maar het is voor ons niet genoeg om vreugde in de dagen van ons leven te hebben, de eeuwigheid ligt in ons hart, dat wil zeggen dat ons hart moet zijn ingesteld op de eeuwigheid. St. Augustine parafraseerd Prediker in de aanhef van de Belijdenissen: “Want zo hebt u ons geschapen, gericht op u, en ons hart kent geen rust tot het rust vindt in u.” (Vertaling van Wim Sleddens O.S.A., red.) We kunnen de schoonheid zien als een aanduiding van de eeuwigheid die God heeft ingesteld in ons hart. God heeft het raadsel van de eeuwigheid in ons hart geplant, dat is hetzelfde als het mysterie van de menselijke sterfelijkheid, en schoonheid is een aanduiding van die eeuwigheid. We zeggen niet dat God schoon is, want wij hebben Zijn vorm nooit gezien. Voor de joden, in tegenstelling tot christenen, is schoonheid geen eigenschap van God, maar eerder een vluchtige menselijke waarneming van Gods handelen in de wereld.

Jodendom verafschuwt het programma van Matthew Arnold en anderen die in de kunst een vervanging voor religie zagen. Maar als we schoonheid begrijpen door de ogen van Prediker – als een vluchtige glimp van Gods handelen in de wereld – begrijpen we ook waarom we niet zonder kunnen. God heeft eeuwigheid in ons hart geplant, maar het geheel van zijn doel blijft verborgen. Temeer heeft ons hart behoefte aan deze vluchtige schijnsel van Gods handelen in de wereld.

Dit kan een vorm van ontzag inboezemen in de aanwezigheid van natuurlijke schoonheid, dat ons Gods b’hadar toont, zoals in Psalm 29. Maar God heeft ons gemaakt als partners in de schepping, en de menselijke kunstenaars kunnen ook schoonheid creëren. Het risico om met God te gaan wedijveren is groot. Een koning kan delen in de heerlijkheid Gods , zoals in de zegen voor het aangezien van een koning (“Zalig zijt gij, God, Koning van het heelal, die zijn heerlijkheid heeft van gegeven aan vlees en bloed”), maar een koning die zichzelf niet onderwerpt aan de wet wordt een monster die Gods gezag toe-eigent. Kunstenaars hebben het zelfde risico van machtsmisbruik. Vanuit het standpunt van Prediker, kan afgoderij bestaan in tijd en beelden. Een muzikant die niet in slaagt het vluchtige karakter van schoonheid te erkennen wordt een afgodendienaar.

Joden kunnen schoonheid in muziek herkennen welke gecomponeerd is door christenen op expliciet religieuze onderwerpen, ook al weigeren we de verering van Jezus van Nazareth. Norman Podhoretz is niet verkeerd wanner hij van Bachs Matthäus Passion houdt. De klassieke muziek van het Westen, van Josquin des Prez uit de 15e eeuw met het contrapunt tot en met Brahms, maakt Prediker het concept van schoonheid levendig. Het ondergeschikt maken van het muzikale moment om een teleologische doel. Dat wil zeggen, westerse muziek creëert verwachtingen in de tonaliteit die zo overtuigend zijn dat de hoorder de perceptie heeft dat van de flow van muzikale tijd wordt begeleid door een gevoel van de muzikale toekomst. Tonaliteit – het systeem waarin de horizontale melodie ontvouwd en in de tijd integreert met verticale samenklank – heeft de unieke capaciteit om een gevoel van toekomst te genereren.

Elke werk met tonaliteit heeft een doel, de oplossing van de tonale spanning in de terugkeer naar de tonica (grondtoon, red.) doormiddel van een laatste cadans van de dominante. De Joodse-Oostenrijker en theoreticus Heinrich Schenker (1868-1935) stelde vast dat er een “fundamentele structuur” ten grondslag ligt aan elke beweging van een klassieke compositie, namelijk dat het een reis weergeeft weggaand en terugkomend naar de tonica. De grote componisten maken elk element van de compositie ondergeschikt aan het doel. Zodra de componist de verwachting heeft gecreëerd, is het mogelijk om spanning op te bouwen door het aan te houden, of door het maken van een verrassing of zelfs door humor te creëren wat gedaan kan worden door het in een onverwachte richting te lijden. De verwachting die wij van de toekomst hebben, is gebaseerd op de herinnering via de beoordeling van onze geest.

Populaire muziek geschreven voor of afkomstig van dans blijft in de ordinaire tijd van hartslag, ademhaling, en gang. Klassieke muziek, echter, kan tijd vermaken op twee verschillende niveaus: het alledaagse klok-tijd duur, en de experiëntiële tijd van de harmonische verandering. De juxtapositie (het naast elkaar of op dezelfde lijn plaatsen red.) van de tijd op verschillende niveaus maakt het voor de grote componisten mogelijk om ons een aanduiding van de eeuwigheid, een gevoel van het heilige in puur muzikale termen te geven. Bach, Mozart, Beethoven, Schubert, en andere grote componisten, geven ons een perceptie van het heilige met puur muzikale middelen die onafhankelijk zijn van de religieuze inhoud van de teksten waarmee de muziek is gekoppeld. Dat is de reden waarom het zou moeten zijn toegestaan voor de oplettende Joden om van een passie van Bach of van het Requiem van Mozart te genieten, ondanks hun ongemak bij de christelijke inhoud. Het is onmogelijk voor Joden om de Matthäus Passion te horen op dezelfde manier als dat de gemeente van de Duitse kerk dit deed, als deelnemer aan een kerkelijke drama, maar de muziek spreekt toch tot ons.

Een radicaal andere visie op de muzikale tijd verschijnt met het verval van het christelijke Westen, vanaf Richard Wagner. Wagner blijft de volmaakte bard (een zanger en dichter bij de oude Kelten en Galliërs, red.) van narcistische liefde, van passie voor onze eigen alter ego. Wagners wil was om de liefde voor pure opwelling te stellen tegenover het orde van de traditionele samenleving. Zoals Wagner schreef in 1850 tot de criticus Theodor Uhlig: “Tijd is het absolute niets. Het enige Iets is dat wat ons de tijd doet vergeten.” Waar de klassieke componisten het moment ondergeschikt maakt aan muzikale teleologie en in hun beste momenten, een religieuze tijd oproepen, was Wagner voornemen om de tijd juist te vernietigen. Hoewel de klassieke compositie de tijd in de geest van de christelijke teleologie ordent, het individuele moment achterstelt op het lange termijn doel, zoekt Wagner naar de organische eenheid om de klassieke vorm te ondermijnen. Dit roept interessante vragen op over Gustav Mahler, die Wagners muziek van “de grote en meest pijnlijke openbaring” noemde. Mahler, een bekeerling tot het katholicisme, wordt vaak afgeschilderd als het voorbeeld van een joodse componist, hoewel hij een uitgesproken afwijkende esthetiek aanvaarde.

Muziekkritiek heeft in een joodse context een tweevoudige taak. Een van de problemen is de technische competentie en interpretatieve validiteit van de uitvoering, of de kwaliteit van de nieuwe compositie. Maar een veel belangrijker probleem is in welke richting het spirituele doel gaat waarvoor de muziek gemaakt is. Als ik juist ben om te stellen dat het bijbelse begrip van tijd en eeuwigheid ten grondslag ligt aan de grote traditie van de westerse klassieke muziek, dan zou het een vermindering van het joodse geestelijk leven zijn om het te mijden.

David P. Goldman, klassieke muziek criticus voor Tablet Magazine, is de Spengler columnist voor de Asia Times Online en de auteur van  How Civilizations Die (and Why Islam is Dying, Too) en de essaybundel It’s Not the End of the World, It’s Just the End of You .

Geef uw reactie

Now add some widgets!