Berichten

Johann Sebastian Bach als vertolker van het Evangelie
24 maart 2012MuziekRedactie 0 Comments

In deze tijd van het jaar gaan velen van u naar de MatthäusPassion. Op 14 september 2000 verscheen van de hand van dr. A. Noordegraaf een artikel in De Waarheidsvriend over J.S. Bach bij pasen. Het is het vijfde artikel uit een serie van zes, de andere vijf kunt u op Digibron lezen. U kunt dan het best zoeken naar ‘Bach’ waarna u het zoekresultaat moet specificeren met het jaar ‘2010’, bron ‘De Waarheidsvriend’ en auteur ‘A. Noordegraaf’. 


Pasen bij Bach
De kruisprediking moge dan het centrum van Bachs geloof zijn, niet minder komt in zijn werk uit dat de Gekruisigde is opgestaan en verheerlijkt en door Zijn Geest met Zijn gemeente is totdat Hij komt in de voleinding der eeuwen. We bezitten een groot aantal cantates voor de paasdagen, de paastijd, de hemelvaartsdag en Pinksteren. Enkele van deze cantates nemen de vorm aan van een klein oratorium.

Het is me dan ook een volslagen raadsel dat Maarten ’t Hart kan schrijven: ‘Wat hem (nl. Bach, AN) nauwelijks aansprak, was de paasjubel’, en even verder opmerkt: ‘Het paasgebeuren zelf heeft dus geen noot geïnspireerd’.

Je hebt dan weinig begrepen van de eenheid van kruis en opstanding zowel bij Luther als bij Bach. Die eenheid komt daarin tot uiting, dat Christus in Zijn lijden en sterven de strijd aangebonden heeft met de machten van de zonde, de duivel en de dood. Op Pasen komt aan het licht dat hij deze machten overwonnen heeft.

Die in de dood gebonden lag
Op indrukwekkende wijze vertolkt Bach dit in een van zijn vroege cantates over het koraal ‘Christ lag in Todesbanden’. De Nederlandse vertaling ‘Die in de dood gebonden lag’ is als gezang 203 opgenomen in het Liedboek voor de kerken. Maarten ’t Hart noemt dit een uiterst somber, aangrijpend, tragisch stuk: Ik wil het woord ‘aangrijpend’ overnemen. Maar van tragiek is beslist geen sprake. Helemaal in de lijn van de vroege kerk verbindt Luther in dit lied het motief van het Pascha en het paaslam met de overwinning van Christus op de machten van de zonde en de dood. In de vijfde strofe van dit lied staan de regels ‘Niet langer oefent zijn terreur, de dood, de mensenmoorder (‘Der Würger’ zegt Luther). Bach laat weergaloos mooi in de muziek uitkomen zowel het woeden van deze moordenaar als zijn onmacht. In een andere cantate accentueert de componist door driemaal het ‘Hij heerst’ te herhalen de overwinning van Christus. Niettemin heeft Bach van Paulus geleerd, dat Christus en de kracht van Zijn opstanding kennen gemeenschap aan zijn lijden betekent. Dat verklaart mijns inziens de gedempte toon in verschillende van zijn paascantates.

Maar de jubel ontbreekt niet. Een mooi voorbeeld is cantate 31 ‘Der Himmel lacht, die Erde jubilieret’. Trompetten en pauken ondersteunen de feestelijke toon, het lachen en juichen omdat de Schepper leeft, de allerhoogste triomfeert en vrij is van de banden van de dood, waarbij in de tekst wordt verwezen naar Psalm 16 : 10: ‘Gij zult niet toelaten dat Uw Heilige de verderving ziet’. De bas zingt in een aria over de Vorst des levens, sterke Strijder, hooggeloofde Zoon van God, Die door Zijn kruis verhoogd is. En de gelovigen mogen met Hem delen in Zijn overwinning. Zij behoeven voor de dood niet meer te vrezen. En om nog een voorbeeld te noemen: Verrassend is in de Hohe Messe de omslag van het ‘begraven’ dat op een donkere, lage toon eindigt naar de feestelijke jubel van het ‘Hij is opgestaan’.

Het slotkoor van de Mattheüs
Nu wordt als argument dat Bach weinig geïnspireerd geweest zou zijn door Pasen, maar vooral is blijven stilstaan bij de dood van Christus, nogal eens verwezen naar het slotkoor van de Mattheüspassion: ‘Wir setzen uns mit Tranen nieder’. Woorden als het ‘zich met tranen neerzetten’, ‘zachte rust’, ‘goede nacht’ vormen toch een onmiskenbaar bewijs dat deze grootse compositie geen enkel zicht geeft op de opstanding, maar eindigt in de klacht en de tragiek. Zelfs Karl Barth heeft zich op een dergelijke wijze geuit. Hij beschouwde de Mattheüspassie als een klaagzang die aan de betekenis van het lijden en sterven van Christus volstrekt geen recht zou doen. Ik heb zelf ook jarenlang wat aangehikt tegen de tekst van dit slotkoor. Maar hebben de critici gelijk? Er zou dan in elk geval een diepe Idoof gapen tussen dit slotkoor en de verschillende cantates van Bach waarin het lijden van Christus wel degelijk in het licht van de opstanding staat.

Als we verder bedenken dat deze passiemuziek werd uitgevoerd in het liturgisch kader van een kerkdienst op de Goede Vrijdag, is er alle reden om achter de hierboven genoemde beweringen vraagtekens te zetten. Maar wie me op een ander spoor gezet heeft, is de Groningse hymnoloog, dr. Jan R. Luth. Hij heeft in een stelling bij zijn proefschrift gezegd: ‘De Matthäus Passion van Johann Sebastian Bach is een getuigenis van het geloof in de opstanding’. Hij heeft deze stelling later in enkele publicaties uitvoerig en voor mij op een overtuigende manier toegelicht.

Rusten in het perspectief van Pasen
Luth wijst erop dat we de woorden als ‘Ruhe sanfte, sanfte Ruh’ en ‘gute nacht’ niet zomaar kunnen vertalen als ‘rust’ en ‘goede nacht’. Ze hadden in de preken van die tijd een specifieke betekenis. De uitdrukking ‘goede nacht’ betekent dat de gelovige die gaat sterven een goede nacht tegemoet gaat, omdat de dood de doorgang betekent tot de rust en de vreugde van de hemel. Sterven is voor de gelovige ontslapen, slapen tot de jongste dag waarop hij door Christus wordt gewekt. Ook het ‘sanfte Ruhe’ staat in dat licht. Sterven en eeuwige rust behoren in de begrafenisliturgie vanouds bij elkaar. Bij het Duitse woord ‘Ruhe’ kunnen we verschillende betekenissen onderscheiden: de hemelse rust, de vrede in God, het rusten van het lichaam in de aarde tot de jongste dag. Wanneer Bach in dit slotkoor het ‘Ruhe sanfte, sanfte Ruh’ in verband brengt met de dood van Christus, is dat een rust van beperkte duur, omdat zij verbonden is met de opstanding. Bach laat, aldus Luth, ook door het gebruik van een bepaalde toonsoort in het slotkoor uitkomen dat er over de rust gezongen wordt in het perspectief van de opstanding. Het is de Heere die tot rust wordt gebracht. ‘Nun ist der Herr zur Ruh gebracht’, klinkt het vlak voor het slotkoor. Uit deze rust zal Hij weer opstaan. Zo is het ook te lezen in een van de lijdenspreken uit die tijd van de orthodox-lutherse theoloog Heinrich Müller – preken die Bach wellicht gekend heeft: … want de Heer der heerlijkheid moest daarin (in het graf, AN) rusten en nu spoedig verhoogd worden’. Dood en graf kunnen Christus niet vasthouden. Daarom kan, zegt Luth terecht, de toonsoort van de droefheid – c-mineur – ook de toonsoort van de vreugde zijn.

De tranen
De rust waar in dit slotkoor van gezongen wordt, is vrucht van de verzoening door voldoening. Prachtig komt dit uit in de woorden die de bas zingt na de woorden over Jezus’ sterven (‘Am Abend da es kühle war‘). Het is de avond waarop de val van Adam openbaar werd. Maar Christus heeft de zonden, ook op een avond, meegenomen in het graf. Eveneens op een avond bracht een duif een olijfblad aan Noach als een teken van hoop. Daarop volgt in het centrum van dit deel de regel ‘O, schone tijd, o avonduur’. Waarom is die avond mooi? Omdat Jezus aan het kruis voor de zonde geleden heeft en voldaan heeft aan Gods recht (‘Der Friedensschluss ist nun mit Gott gemacht, denn Jesus hat sein Kreuz vollbracht’). Nu komt zijn lichaam tot rust.

Maar hoe zit het dan met die tranen? ‘Wir setzen uns mit Tranen nieder’… is dat niet een uiting van verdriet om een zo tragisch einde?

De tekst wijst in een andere richting. Ook deze woorden hebben, zoals Luth terecht zegt, de lutherse prediking van de verzoening als achtergrond. We lezen immers dat er geweend wordt met boete en berouw (‘mit Buss und Reu’), omdat onze zonden Jezus in dit lijden hebben gevoerd. Dat is dezelfde toon die we in het slotkoor van het eerste deelvernemen: ‘O, mens beween uw zonden groot’. Maar de tranen zijn niet” het laatste. Het is vrede met God door de dood van de Zoon. Daarom klinkt vanuit het graf de roep: ‘Ruhe sanfte, sanfte Ruh’. Op de avond van dit sterven volgt de morgen van de opstanding.

Dood en eeuwig leven
Niet alleen uit de passiemuziek, ook uit vele cantates blijkt dat dood en eeuwigheid bij Bach een belangrijk thema vormen. Albert Schweitzer heeft in dit verband opgemerkt dat uit Bachs muziek een diep verlangen naar de dood spreekt en dat zijn toontaal nergens zo aangrijpend is als juist in die cantates waarin hij zingt en spreekt over de verlossing van het lichaam des doods. Inderdaad, Bachs cantates over de dood, over sterven en eeuwig leven behoren tot de mooiste die hij geschreven heeft. Over de muzikale schoonheid daarvan is ieder het wel eens. Anders is dat gesteld met de woorden die door die muziek gedragen worden.

Onze op het hier en nu ingestelde tijd heeft daar vaak weinig begrip voor. Het moderne levensgevoel van onze geseculariseerde cultuur staat op gespannen voet met het levensgevoel van Bach en zijn tijdgenoten. Velen kunnen niets beginnen met woorden als ‘Ich freue mich auf meinen Tod’ (ik verheug mij over mijn dood). Of met de zin uit het openingskoor van cantate 8: ‘Liebster Gott, wann werd ich sterben? ‘ Er spreekt een haast mystiek doodsverlangen uit. Is een dergelijk spreken over de dood als ‘süsze Todesstunde’ geen uiting van ziekelijk pessimisme en van een onbijbelse wereldverzaking?

Ook hier zullen we goed moeten peilen waar het bach en zijn tijdgenoten ten diepste om ging. Vooreerst moeten we bedenken dat de dood in Bachs tijd een realiteit was waar men dagelijks mee geconfronteerd werd. De kindersterfte was hoog. Mensen werden doorgaans niet oud. De levensmogelijkheden waren voor velen, vooral voor de armen door slechte behuizing, gebrekkige hygiëne en medische zorg, zeer beperkt. De dood hoorde voor het levensgevoel van die tijd als het ware bij het leven.

Bach heeft in zijn leven smartelijk ervaren dat we midden in dit leven door de dood omvangen zijn. Niet alleen is geen van zijn naaste familieleden ouder geworden dan 50 jaar, maar ook heeft hij in zijn eigen gezin de tyrannie van de dood meegemaakt. ‘Elfmaal heeft in zijn huis het kistje gestaan van een nog nauwelijks ontloken leven’, merkt H. van der Linde op. Zoiets stempelt het levensgevoel.

We komen het trouwens niet alleen bij Bach tegen. Ik denk aan het klassieke formulier uit de gereformeerde liturgie voor de bevestiging van het huwelijk met zijn sombere inzet over de velerlei tegenspoed en kruis die gehuwden in dit leven overkomt; dit leven dat in een ander formulier ‘éen gestadige dood’ genoemd wordt. Je kunt zeggen dat in dergelijke uitingen de goedheid van de schepping te weinig naar voren komt. Maar drs. W. H. Dekker heeft er recent in Wapenveld op gewezen dat niettemin dit levensbesef de menselijke .conditie in zijn vergankelijkheid scherper en reëler tekent dan het oppervlakkige, op genot ingestelde levensklimaat van onze tijd.

Terug naar Bach. Kun je inderdaad spreken van een ziekelijk doodsverlangen? Ik meen dat die conclusie ernaast is. Bach heeft wel degelijk met Paulus geweten van de verschrikking van de dood als vijand. Daar zouden vele voorbeelden van te geven zijn.

Maar wat nog wezenlijker is voor hem, is dat in de.op de dood en het sterven gerichte teksten het uiteindelijk gaat om de hoop van de christen op het eeuwig leven. Het verlangen naar de dood is vooral verlangen naar de ontmoeting met Christus. Achter deze teksten staan de paulinische woorden over het verlangen om ontbonden te worden en met Christus te zijn (Fil. 1 : 23). In cantate 161 ‘Komm, du süsze Todesstunde’ is het juist dit bijbelwoord dat de cantate draagt: ‘Mijn verlangen is het de Heiland te omvangen en spoedig bij Christus te zijn’.

We moeten door de vaak barokke teksten heen lezen om zo de boodschap te verstaan. Ich freue mich auf meinen Tod: dat is ten diepste de vreugde om het eeuwig leven in en door Christus Jezus.

A. Noordegraaf

Geef uw reactie

Now add some widgets!